Nu dat je leeft, hoef je je niets meer in te beelden. Luister, maar luister naar je onmiddellijke omgeving. De cockpit waarin je zit, is als de veilige schoot van een wild dier. In die schoot is alles evenwichtig en heerst er geen enkel gevaar, ook al is het deze cockpit die de ruimte in wordt gestuurd, achter een prooi aan die doodgewoon deze beleving zelf is.

Verwar de kalmte echter niet met stilte. Luister beter, vooral als je een bocht nadert. Acht motorkleppen drijven de snelheid op, terwijl een crescendo opstijgt uit een diep gerommel dat brullend overgaat in hoge, scherpe tonen en dan het geluid van menselijke ratio wordt. Het beest wordt plots technische perfectie, tot in de kleinste details uitgedokterd geluid, de platonisch grom van een razendsnelle motor.

De bocht belemmert eerst het uitzicht, onthult dan een ander. Alles kan in deze kathedraal van door mensenhanden gecombineerde elementen die je handen, je lichaam - deel van de massa in beweging - en je gehoor begeleiden naar een recht stuk dat het beest weer roept. En het beest beantwoordt die roep. De motorkleppen gaan nog sneller op en neer en een lichte druk op je borst verleidt je om je rug in de stoel te duwen. Dan valt je blik op de bergen: als de vingers van de aarde wijzen ze de richting aan. Naar boven. 

Buiten brult het beest voor jou, het laat je demonstratief van zijn klauw proeven maar diep van binnen geniet je ook van het privilege om de bovenmenselijke grens tussen absolute stilte en strijdgehuil af te mogen tasten.